Home » 2008-2014 » Bard’s Meetjeslandse Muziekcolumn

“Eddy, Eddy, Eddy Borremans.” De stem van Hugo Matthyssen klinkt als een mantra in mijn hoofd op de trein van dertien na negen zondagmorgen (!) richting hoofdstad. De stad die mij dierbaar is. Het is Irisfeest maar ik weet dat op dat moment nog niet. Wat ik wel weet is dat ik een neefje van Eddy Borremans zal ontmoeten die morgen in Bozar: Michaël Borremans. Geboren in Geraardsbergen. Gentenaar. Ooit lesgever op de ‘Ruuje Laavekens’ in Gent. En nu een gevierd kunstenaar met een tentoonstelling in het Paleis van Schone Kunsten.

Op het andere paleis vlakbij zie ik op een balkon een trieste koningsfiguur ‘tegen-de-sterren-op-gewijs’ oefenen voor zijn volgende speech aan het volk. Naast hem zijn blond fotomodel die wellicht non was geworden had ze zich geen koning kunnen veroorloven. We treden binnen in de Brusselse kunsttempel en laten, barbaren als we zijn, Zurbaràn voor wat het is. Ik plan in mijn hoofd nog Spanjereizen en deze Nick Cave van de Spaanse schilderkunst zal ik ongetwijfeld  nog ontmoeten. Borremans dus. Wat een unieke wereld. Elke compositie is de ultieme popsong.

Borremans schildert geen doeken, hij regisseert ze. Borremans beklijft niet, hij betovert. Deze tentoonstelling staat nog een lente lang in Brussel en verhuist daarna naar -o ironie- Dallas en  Tel Aviv. Deze Gentse schilder, geboren in 1963 (het geboortejaar van mijn zus), zal ons allen overleven. Hij zal misschien nog dEUS doen vergeten en heel waarschijnlijk Milk Inc. Ook al hebben die in 2009 op Rock Werchter gestaan. Hij mixt Velazquez, Goya maar ook The Velvet Underground en het obscuurste werk van Bowie in gedachtengangen waarbij mensen objecten worden en objecten iets menselijks krijgen.

En dan komen we buiten en is er het Irisfeest. Het is een druilerige zondag en veel Brusselaars laten na om deze dorpskermis in een kleine wereldstad mee te maken. Maar ik stoot op een klein podium met enkele keitoffe bands van jonge Brusselaars die zich weren in een wijwatervat om enkele degelijke songs door mijn strot te rammen. Het lukt. Ik hoor zowaar Urban Dance Squad, The Peppers, Faith No More. Maar ook een streepje jazz en Mano Negra. Ik voel me hier op de trappen van de Mont des Arts godverdorie in de Kaprijkse Stroomstraat. Circa Constanzia. Rockers die elke gelegenheid te baat nemen  om op een podium te mogen springen en dat ietsie pietsie Borremans Eddy en/of Michaël ten berde te mogen brengen. In de hoop dat heel misschien een verre Meetjeslandse columnist hun liedjes opmerkt en er gaat over opscheppen in de Dolle Mol, Spoormakerstraat 29, hartje Bruxelles, stamcafé van überanarchist Jan Bucquoy. Ook ooit mijn stamcafé toen ik in Brussel op kot zat.

En weet je wat? Nog elk jaar stap ik er eens binnen. Meetjeslandertjes van me: moeten jullie ook eens doen. En dan via de Beurswijk, de Zuidstraat en de Stalingradlaan terug naar huis slenteren. Doen. En weet je wie op mijn trein zat de weg terug? Echt waar! Appie. Rhymes oefenend op de trein met de oortje op en volledig surfend op eigen beats. Eeklo, coole buitenwijk van BXL. Zo voelt het wel.

Unknown